Het bankje.
Katja komt binnen, kijkt naar mij en vraagt bezorgd: ‘Wat is er met jou aan de hand?’
Ik zit aan de eettafel en heb in het afgelopen kwartier de gebeurtenis keer op keer opnieuw beleefd met steeds weer die prangende vraag: Heb ik het goed gezien, heb ik goed gehandeld?
‘Weet je nog waarom wij zo blij waren om in dit dorp te gaan wonen, weg van de stadse dingen?’ Ik begin het verhaal te vertellen.
‘Ben je erg geschrokken?’
‘Dat valt wel mee, het was vooral spannend. Waar ik mee zit is dat ik de man misschien onterecht beschuldigd heb en dat zou ik heel erg vinden. Ik heb het beeld in mijn hoofd van die twee mannen die na de aanslagen op 11 september 2001 hardhandig door de politie uit de trein gehaald werden. Verontruste medereizigers belden toen 112 omdat de mannen baarden hadden en gekleed waren in djellaba’s. Wat zullen zij zich overvallen gevoeld hebben door wat hen overkwam.’
Ze legt haar hand op mijn schouder. ‘Ik begrijp waar je mee worstelt. Zou de man erachter kunnen komen dat jij degene bent die gebeld heeft?’
Het is nog geen vier uur ’s middags als onze hond zich meldt om uitgelaten te worden. Dat is vroeger dan normaal en het laat het zich altijd raden of hij nodig moet of gewoon lekker naar buiten wil. Voor een hond is het ruiken van alle geurtjes buiten net als het lezen van de krant; even op de hoogte gebracht worden van wat er allemaal zoal gebeurd is in de wereld, iets waar ik zelf ook van kan genieten als ik ’s ochtends mijn krant lees. Het is mooi weer, de zonnebril kan op, ik gun hem zijn pleziertje.
Aan het einde van de straat kijkt Lucky mij vragend aan, gaan we linksaf (de langere route) of rechts? Het wordt linksaf. Onze vaste middagroute voert ons langs het Missiehuis van waaruit de paters de wereld in werden gestuurd om hun versie van het geloof te verspreiden. Lucky vindt onderweg volop nieuws dat lezenswaardig lijkt en hij laat op strategische plekken zijn eigen nieuws achter door hier en daar zijn poot op te tillen. Na het passeren van het Missiehuis slaan we rechtsaf zodat onze weg langs de openbare basisschool van het dorp voert.
Juist daar, op die hoek, lijkt zich in de afgelopen uren veel afgespeeld te hebben want Lucky heeft lange tijd nodig om die nieuwsfeiten in zich op te nemen. Ik kijk ondertussen wat om mij heen en zie vanuit mijn ooghoek een man op een bankje zitten tegenover de school. Op het moment dat we weer verder lopen voel ik dat ik op iets stap en gelijktijdig hoor ik een hard metaalachtig geluid. Ik kijk om om te zien waar ik op getrapt heb, het blijkt een takje. Wanneer ik weer voor me kijk zie ik een pistool in de hand van de man.
Onze blikken kruisen elkaar en ik zie hem, terwijl hij naar mij kijkt, snel het wapen naast zijn been leggen, buiten mijn zicht. Ik ben nog ongeveer dertig meter van hem verwijderd. Gedachten vliegen in een hoog tempo door mijn hoofd: Zag ik echt een pistool? Ik heb een donkere zonnebril op, heeft hij wel of niet gezien dat ik hem zag? Het metaalachtige geluid, was dat het geluid van een pistool dat doorgeladen werd of zette hij de veiligheidspal om? Heb ik het echt goed gezien? Ondertussen ben ik al vijf meter doorgelopen in zijn richting. Kan ik nog omkeren zonder hem de indruk te geven dat ik gezien heb wat ik denk gezien te hebben? Loop ik het gevaar verder tegemoet of wend ik mij af?
Naarmate ik dichterbij kom kan ik hem beter zien; een man, eind twintig, kortgeschoren haar en met een vale grijzige huidskleur die arbeiders uit Oost-Europa zo vaak kenmerkt. Ook zijn kleding past bij dit beeld; een donkerblauw trainingsjack met twee strepen op de mouw met figuurtjes ertussen, zijn broek, lichtblauw, lijkt van hetzelfde merk. Welk merk is dat ook alweer? Is hij afkomstig van de bouwplaats hier vlak achter of zit hij juist met een reden bij deze school? Ruzie met een ex, een onbeantwoorde liefde waar hij mee af wil rekenen? De vragen stapelen zich op en ondertussen zijn de hond en ik nog maar een meter van hem verwijderd.
Op dat moment buigt de man zich naar voren en tracht Lucky te paaien door wat smakgeluidjes te maken en hem aan te halen. Gelukkig, de hond negeert hem, waarna de man zijn blik op mij richt. Snel wend ik mijn blik af, ik heb niet goed kunnen zien of ik een wapen zag, en zeg ‘kom’ tegen Lucky. Wij zetten de pas erin. Juist dan steekt er een vrouw met twee kinderen aan de hand de straat over richting haar auto.
Opeens grijpt de spanning mij bij de keel, ik kan niet langer zien wat de man achter mij doet. Is zij de reden waarom hij hier op deze bank zit? Ik vertraag mijn pas zoveel als mogelijk, om de vrouw de tijd te geven met haar kinderen in de auto te stappen. Lucky besluit op dat moment aan de riem te trekken omdat hij dringend naar zijn volgende geurplek wil. Ik kan nu niet stil blijven staan! Ook de vrouw met de kinderen verdwijnen daarmee uit zicht. Aandachtig luister ik of ik geluiden achter mij hoor die redenen kunnen geven om mij nu om te moeten draaien. Autodeuren slaan dicht en enkele seconden later word ik gepasseerd door de auto. Mijn benen beginnen te trillen;, ik moet nog 100 meter dan kan ik de zijstraat inslaan en ben ik uit het zicht van de man. De vraag ‘Heb ik het echt goed gezien?’ giert door mijn hoofd.
Terwijl we de hoek omgaan werp ik een blik over mijn schouder, ik zie dat de man op het bankje zijn benen omhoogtrekt, als in een gebaar van opluchting dat ook ik uit zijn zicht verdwijn. Ik bel 112 en terwijl ik verder loop vertel ik, met een ietwat onvaste stem, wat ik gezien heb, waar de man zit en waarom ik de situatie als gevaarlijk inschat. Opeens schiet het door mijn hoofd: Kappa, dat is het merk van de kleding die hij aan heeft. De vrouw in de meldkamer noteert snel de gegevens, zegt dat er een wagen onderweg is en vraagt mij of ik in afwachting van de komst van de politie terug naar de hoek wil lopen om vandaar de man in de gaten te houden.
‘Nee, dat wil ik niet. Als hij mij ziet staan zal hij mogelijk onraad ruiken, wat straks extra gevaar voor mij en uw collega’s op kan leveren.’
‘Ik begrijp het. Kunnen mijn collega’s contact met u opnemen voor een getuigenverklaring? Ik heb uw nummer.’
‘Ja, dat is goed.’
Enkele minuten later, ik ben nu hemelsbreed honderd meter verwijderd van het bankje, denk ik te horen dat er in de verte, aan de andere kant van de bouwplaats, iets luid en dwingend geroepen wordt naar iemand, gevolgd door twee korte knallen. Zijn het pistoolschoten? Ik loop door naar huis, we zijn er bijna.
Twee nachten slaap ik slecht. De derde ochtend rijd ik in de auto op de provinciale weg en word ik gebeld door de politie. Zij willen graag nogmaals mijn relaas horen aan de hand van een telefonisch proces-verbaal. Al rijdend, handsfree via de carkit, beantwoord ik de vragen over wat ik gezien heb en de agent bedankt mij voor mijn medewerking.
‘Ik heb nog een vraag: Ik zou het heel erg vinden als ik hem onterecht beschuldigd zou hebben, dus hebben jullie hem aangetroffen en had hij nu wel of niet een pistool bij zich? ‘Ja, wij hebben hem aangehouden, hij zit nu vast op het bureau wegens verboden wapenbezit. Ik wens u nog een fijne dag.’
Ik ben zo opgegaan in het gesprek en het antwoord dat ik zojuist te horen gekregen heb, dat ik pas op het laatste moment zie dat het stoplicht voor mij ondertussen op oranje is gesprongen. Remmen lukt niet meer, dan maar gas geven. Een week later valt er een paars witte enveloppe van het CJIB op de mat met een boete voor zowel te hard rijden als door rood licht rijden.
Het is druilerig weer en ik lijn Lucky aan om zijn rondje te gaan lopen.
‘Vergeet je niet je telefoon mee te nemen?’ roept Katja mij na. ‘Heb ik bij me, tot zo.’ Ik trek de voordeur achter mij dicht. Met mijn schouders hoog opgetrokken vanwege de regen en kou lopen Lucky en ik in een stevig tempo het bekende middagrondje. In de buurt gekomen van het bankje moet ik weer denken aan het voorval enkele maanden daarvoor. Half in gedachten schrik ik op omdat een man, gekleed in trainingspak, plots uit de struiken stapt. De woede straalt van zijn gezicht en terwijl hij met zijn vinger naar mij wijst sist hij: ‘Jij…’