Nee dank u, daar zijn wij al lid van

Mijn muzikale smaak en onze hond vormen niet altijd de ideale combinatie. Hij gaat dan ook in een pose voor mij zitten waarbij hij aangeeft dat het nu wel lang genoeg geduurd heeft, het op zijn darmen slaat, hij wil uitgelaten worden.

Op dat moment gaat de telefoon en ik zie dat het een onbekend lokaal nummer is. Ik krijg een vrouw aan de telefoon die zegt: ‘U kent mij niet want ik dacht laat ik eens een willekeurig nummer bellen en kijken of ik iemand kan vinden om een positief gesprek mee te hebben.’ Mijn eerste gedachte is, dan heb je de goede gekozen, de misantroop en cynicus die ik ben. In plaats daarvan zeg ik ‘Nou dat is een ambitieuze opgave’. Ze moet lachen.

Er ontspint zich een gesprek waarbij ze al vrij snel tot de kern komt, wat vind ik van de Bijbel? Ik heb hem in mijn jeugd gelezen en daarna besloten dat dit niet de weg was die ik wilde bewandelen.’ , ze was tenslotte op zoek naar een positief gesprek. Het blijkt een betere insteek, want we praten door. Zij vertelt mij het verhaal over de belegering van Babylon en hoe dit haar gesterkt heeft in haar geloof in de Bijbel. Ik ga niet peuteren aan haar verhaal maar vertel haar andere verhalen uit wetenschappelijke boeken die ik ooit gelezen heb. Het wordt duidelijk dat wij elkaar niet gaan vinden maar desondanks bedankt ze mij voor het positieve gesprek dat wij samen gevoerd hebben, ik vond het ook niet onplezierig. Mocht ik mij ooit bedenken dan wil ze mij een een website noemen waar ik interessante zaken zou kunnen vinden, jw.org. Mijn hersenen knarsen kort en ik vraag haar of jw staat voor Jaweh? Nee, het blijkt te staan voor Jehovahs Witnesses te staan. Ik heb zojuist een Jehova getuige bezoek gehad in corona tijd.

Nadat ik de hoorn neergelegd heb gaan mijn gedachten terug naar de tijd dat ik een tiener was en nog niet erg ervaren met bezoeken aan de deur. Op een avond werd er aangebeld, ik en mijn ouders hadden de verwachting dat het een collecte zou zijn. Ik zei van laat mij maar gaan, die poeier ik wel af. Aan de deur stond iemand van het Leger des Heils wiens verhaal ik aanhoorde om vervolgens te zeggen ‘Nee dank u, daar zijn wij al lid van’ De man keek mij aan en zei ‘Dat kan helemaal niet’. Ik kromp in elkaar, stamelde nog wat en deed snel de deur dicht. In de tussenliggende jaren heb ik een hoop bijgeleerd. Ik kan nu iemand afpoeieren op een manier waarbij wij er allebei een positief gevoel aan over houden.

Bij de hond lukt mij dit nog niet want hij kijkt mij nu zo droevig aan. We gaan samen ergens een grasperk bevuilen.

Het Bankje

Het bankje.

Katja komt binnen, kijkt naar mij en vraagt bezorgd: ‘Wat is er met jou aan de hand?’

 Ik zit aan de eettafel en heb in het afgelopen kwartier de gebeurtenis keer op keer opnieuw beleefd met steeds weer die prangende vraag: Heb ik het goed gezien, heb ik goed gehandeld?

‘Weet je nog waarom wij zo blij waren om in dit dorp te gaan wonen, weg van de stadse dingen?’ Ik begin het verhaal te vertellen.

‘Ben je erg geschrokken?’

‘Dat valt wel mee, het was vooral spannend. Waar ik mee zit is dat ik de man misschien onterecht beschuldigd heb en dat zou ik heel erg vinden. Ik heb het beeld in mijn hoofd van die twee mannen die na de aanslagen op 11 september 2001 hardhandig door de politie uit de trein gehaald werden. Verontruste medereizigers belden toen 112 omdat de mannen baarden hadden en gekleed waren in djellaba’s. Wat zullen zij zich overvallen gevoeld hebben door wat hen overkwam.’

Ze legt haar hand op mijn schouder. ‘Ik begrijp waar je mee worstelt. Zou de man erachter kunnen komen dat jij degene bent die gebeld heeft?’

Het is nog geen vier uur ’s middags als onze hond zich meldt om uitgelaten te worden. Dat is vroeger dan normaal en het laat het zich altijd raden of hij nodig moet of gewoon lekker naar buiten wil. Voor een hond is het ruiken van alle geurtjes buiten net als het lezen van de krant; even op de hoogte gebracht worden van wat er allemaal zoal gebeurd is in de wereld, iets waar ik zelf ook van kan genieten als ik ’s ochtends mijn krant lees. Het is mooi weer, de zonnebril kan op, ik gun hem zijn pleziertje.

Aan het einde van de straat kijkt Lucky mij vragend aan, gaan we linksaf (de langere route) of rechts? Het wordt linksaf. Onze vaste middagroute voert ons langs het Missiehuis van waaruit de paters de wereld in werden gestuurd om hun versie van het geloof te verspreiden. Lucky vindt onderweg volop nieuws dat lezenswaardig lijkt en hij laat op strategische plekken zijn eigen nieuws achter door hier en daar zijn poot op te tillen. Na het passeren van het Missiehuis slaan we rechtsaf zodat onze weg langs de openbare basisschool van het dorp voert.

Juist daar, op die hoek, lijkt zich in de afgelopen uren veel afgespeeld te hebben want Lucky heeft lange tijd nodig om die nieuwsfeiten in zich op te nemen. Ik kijk ondertussen wat om mij heen en zie vanuit mijn ooghoek een man op een bankje zitten tegenover de school. Op het moment dat we weer verder lopen voel ik dat ik op iets stap en gelijktijdig hoor ik een hard metaalachtig geluid. Ik kijk om om te zien waar ik op getrapt heb, het blijkt een takje. Wanneer ik weer voor me kijk zie ik een pistool in de hand van de man.

Onze blikken kruisen elkaar en ik zie hem, terwijl hij naar mij kijkt, snel het wapen naast zijn been leggen, buiten mijn zicht. Ik ben nog ongeveer dertig meter van hem verwijderd. Gedachten vliegen in een hoog tempo door mijn hoofd: Zag ik echt een pistool? Ik heb een donkere zonnebril op, heeft hij wel of niet gezien dat ik hem zag? Het metaalachtige geluid, was dat het geluid van een pistool dat doorgeladen werd of zette hij de veiligheidspal om? Heb ik het echt goed gezien? Ondertussen ben ik al vijf meter doorgelopen in zijn richting. Kan ik nog omkeren zonder hem de indruk te geven dat ik gezien heb wat ik denk gezien te hebben? Loop ik het gevaar verder tegemoet of wend ik mij af?

Naarmate ik dichterbij kom kan ik hem beter zien; een man, eind twintig, kortgeschoren haar en met een vale grijzige huidskleur die  arbeiders uit Oost-Europa zo vaak kenmerkt. Ook zijn kleding past bij dit beeld; een donkerblauw trainingsjack met twee strepen op de mouw met figuurtjes ertussen, zijn broek, lichtblauw, lijkt van hetzelfde merk. Welk merk is dat ook alweer? Is hij afkomstig van de bouwplaats hier vlak achter of zit hij juist met een reden bij deze school? Ruzie met een ex, een onbeantwoorde liefde waar hij mee af wil rekenen? De vragen stapelen zich op en ondertussen zijn de hond en ik nog maar een meter van hem verwijderd.

Op dat moment buigt de man zich naar voren en tracht Lucky te paaien door wat smakgeluidjes te maken en hem aan te halen. Gelukkig, de hond negeert hem, waarna de man zijn blik op mij richt. Snel wend ik mijn blik af, ik heb niet goed kunnen zien of ik een wapen zag, en zeg ‘kom’ tegen Lucky. Wij zetten de pas erin. Juist dan steekt er een vrouw met twee kinderen aan de hand de straat over richting haar auto.

Opeens grijpt de spanning mij bij de keel, ik kan niet langer zien wat de man achter mij doet. Is zij de reden waarom hij hier op deze bank zit? Ik vertraag mijn pas zoveel als mogelijk, om de vrouw de tijd te geven met haar kinderen in de auto te stappen. Lucky besluit op dat moment aan de riem te trekken omdat hij dringend naar zijn volgende geurplek wil. Ik kan nu niet stil blijven staan! Ook de vrouw met de kinderen verdwijnen daarmee uit zicht. Aandachtig luister ik of ik geluiden achter mij hoor die redenen kunnen geven om mij nu om te moeten draaien. Autodeuren slaan dicht en enkele seconden later word ik gepasseerd door de auto. Mijn benen beginnen te trillen;, ik moet nog 100 meter dan kan ik de zijstraat inslaan en ben ik uit het zicht van de man. De vraag ‘Heb ik het echt goed gezien?’ giert door mijn hoofd.

Terwijl we de hoek omgaan werp ik een blik over mijn schouder, ik zie dat de man op het bankje zijn benen omhoogtrekt, als in een gebaar van opluchting dat ook ik uit zijn zicht verdwijn. Ik bel 112 en terwijl ik verder loop vertel ik, met een ietwat onvaste stem, wat ik gezien heb, waar de man zit en waarom ik de situatie als gevaarlijk inschat. Opeens schiet het door mijn hoofd: Kappa, dat is het merk van de kleding die hij aan heeft. De vrouw in de meldkamer noteert snel de gegevens, zegt dat er een wagen onderweg is en vraagt mij of ik in afwachting van de komst van de politie terug naar de hoek wil lopen om vandaar de man in de gaten te houden.

‘Nee, dat wil ik niet. Als hij mij ziet staan zal hij mogelijk onraad ruiken, wat straks extra gevaar voor mij en uw collega’s op kan leveren.’

‘Ik begrijp het. Kunnen mijn collega’s contact met u opnemen voor een getuigenverklaring? Ik heb uw nummer.’

‘Ja, dat is goed.’

Enkele minuten later, ik ben nu hemelsbreed honderd meter verwijderd van het bankje, denk ik te horen dat er in de verte, aan de andere kant van de bouwplaats, iets luid en dwingend geroepen wordt naar iemand, gevolgd door twee korte knallen. Zijn het pistoolschoten? Ik loop door naar huis, we zijn er bijna.

Twee nachten slaap ik slecht. De derde ochtend rijd ik in de auto op de provinciale weg en word ik gebeld door de politie. Zij willen graag nogmaals mijn relaas horen aan de hand van een telefonisch proces-verbaal. Al rijdend, handsfree via de carkit, beantwoord ik de vragen over wat ik gezien heb en de agent bedankt mij voor mijn medewerking.

‘Ik heb nog een vraag: Ik zou het heel erg vinden als ik hem onterecht beschuldigd zou hebben, dus hebben jullie hem aangetroffen en had hij nu wel of niet een pistool bij zich? ‘Ja, wij hebben hem aangehouden, hij zit nu vast op het bureau wegens verboden wapenbezit. Ik wens u nog een fijne dag.’

Ik ben zo opgegaan in het gesprek en het antwoord dat ik zojuist te horen gekregen heb, dat ik pas op het laatste moment zie dat het stoplicht voor mij ondertussen op oranje is gesprongen. Remmen lukt niet meer, dan maar gas geven. Een week later valt er een paars witte enveloppe van het CJIB op de mat met een boete voor zowel te hard rijden als door rood licht rijden.

Het is druilerig weer en ik lijn Lucky aan om zijn rondje te gaan lopen.

‘Vergeet je niet je telefoon mee te nemen?’ roept Katja mij na. ‘Heb ik bij me, tot zo.’ Ik trek de voordeur achter mij dicht. Met mijn schouders hoog opgetrokken vanwege de regen en kou lopen Lucky en ik in een stevig tempo het bekende middagrondje. In de buurt gekomen van het bankje moet ik weer denken aan het voorval enkele maanden daarvoor. Half in gedachten schrik ik op omdat een man, gekleed in trainingspak, plots uit de struiken stapt. De woede straalt van zijn gezicht en terwijl hij met zijn vinger naar mij wijst sist hij: ‘Jij…’

Takkenwijf

Een  zomerdag in Friesland. De hele dag heeft een warme oostenwind gewaaid maar nu, rond een uur of vier, terwijl wij op de terugweg zijn voor het avondeten op de zeilschool, valt de wind weg. Pas om een uur of acht zal hij weer opsteken om ons nog een heerlijke zeilavond te bezorgen.

Omdat de wind is weggevallen hebben wij de zeilen opgeborgen en bewegen wij ons al peddelend en bomend voort. Net zoals alle andere zeilboten rondom ons op die manier onderweg zijn naar hun avondeten. Als schipper/instructeur kan ik nu even ontspannen achteroverhangen na de hele dag ingespannen les gegeven te hebben. Het is de eerste keer dat ik les geef aan een groep volwassen, een heel leuke groep.

Aan het begin van de Noorderoudeweg komt ons een zeilboot tegemoet van een andere zeilschool, waarvan bemanning en instructeur allemaal vrouwen zijn. Ook zij bewegen zich al bomend voort. De vrouw die daar boomt heeft blijkbaar behoefte aan een moment van zelfbevestiging en vraagt aan haar overige bemanningsleden of ze het goed doet. Terwijl wij elkaar op korte afstand passeren roept haar instructrice haar toe dat ze het heel goed doet en dat ze hun “boomvrouw” is. Ik hoor het en flap er uit; boomvrouw, zeg maar gerust takkenwijf.

Er valt een stilte op zowel onze boot als op de boot die wij zojuist gepasseerd zijn. Mijn bemanning begint heel hard te lachen om mijn opmerking en ik kan daardoor gelukkig niet horen tot wat voor reactie het leidt op de andere boot. Omkijken durf ik ook niet.

Een paspop in Middelburg

Foto: Sjoerd J. de Jong

Een paspop achter een raam in Middelburg met een vertederende tekst over een glimlach. Voor mij persoonlijk schuilt de vertedering niet alleen in de tekst maar in het mogelijke verhaal achter de eigenaar en de voorgaande eigenaren van deze pop.

In de eerste blik zie je al dat deze pop geen product is van onze hedendaagse tijd. Dan zou op de plek waar de hals begint een plastic dop gezeten hebben, daar waar je nu mooi afgewerkt hout ziet. Is dit een aanwijzing dat deze paspop mogelijk gedurende een aantal generaties dienst gedaan heeft binnen één familie en overgegaan is van moeder op dochter? Door de witte kleur en de confectie maat van een jonge vrouw heeft het haast iets maagdelijks. Zou die gebruikt zijn door een moeder om kleren te maken voor haar dochter waarna een heftige discussie ontspon waarbij de dochter aangaf dat ze het fijn vond dat de moeder het gemaakt had maar dat het gewoon niet hip was en ze het daarom niet wilde dragen. Zou deze discussie zich bij de volgende generatie, toen de dochter zelf moeder geworden was, zich herhaald hebben? Hoe ver gaat de geschiedenis van deze paspop terug? Zou hij nog gebruikt zijn voor zoiets gruwelijks als het opspelden van een Jodenster tijdens de tweede wereldoorlog? Of is het leven van deze paspop juist een opeenstapeling geweest van heel veel plezier aan het werken met kleding en het plezier van het dragen ervan daarna? Allemaal vragen waar, met het verstrijken van de tijd, het steeds moeilijker wordt om nog de antwoorden op te vinden.

Ik ben geschiedenis gaan studeren omdat ik geïnteresseerd ben in de levens van de individuen in het verleden. Hoe ze de tijd beleefden waarin ze leefden, het persoonlijk leed en geluk, niet de opeenstapeling van oorlogen en jaartallen. Proberen een voorstelling te maken van hoe die levens er uit gezien hebben aan de hand van stukjes informatie die de tand des tijds overleefd hebben. Hoe gebrekkig deze methode is werd mij onlangs weer duidelijk in mijn hernieuwde contact met een oude vriend. Voorvallen in zijn leven waarvan ik geen weet had en misschien ook geen oog voor had op dat moment, blijken zijn leven een heel andere invulling gegeven te hebben dan ik destijds interpreteerde.  Geschiedenis is eigenlijk een heel arrogant vak. Want als ik niet in staat ben een accurate biografie te schrijven over iemand die ik persoonlijk heel goed meende te kennen en regelmatig contact mee had, hoe zou ik dat dan moeten kunnen over iemand die ik nooit persoonlijk gekend heb en waarvan ik een gefragmenteerd beeld krijg door stukjes informatie aan elkaar te plakken die bij toeval door de tijd tot mij gekomen zijn? Laat staan dat ik een oordeel zou mogen vellen op basis van die informatie.

Rest mij eigenlijk alleen om op basis van de overblijfselen uit het verleden mijn fantasie en gevoel de vrije loop te laten. Ik zie een paspop die de confectiemaat heeft die mijn vriendin ook heeft en waar ik met veel plezier naar kijk. De eigenaresse van deze pop heeft vast menig mannenhart sneller doen kloppen en op straat veel hoofden doen draaien.
Ach nee, met een tweede blik op de foto zie ik links in de onderhoek een draaiknop waarmee de confectiemaat aangepast kan worden. Met een draai aan de knop kan mijn fantasie een heel andere richting opgestuurd worden. Beelden van Rubensvrouwen vullen nu mijn hoofd. Zelfs fantasieën blijken maar momentopnamen.

Ontmoeting op het stand (2)

Foto: Sjoerd J. de Jong

Ik was er bij toen deze foto gemaakt werd. Een man en een vrouw die elkaar langs de vloedlijn willen passeren waarbij er een gesprek ontstaat waarvan na enkele minuten duidelijk af te lezen is dat beiden zich afwisselend niet gemakkelijk voelen bij datgene wat er besproken wordt. De afstand is te groot om te horen wat er besproken wordt maar mijn gedachten gaan terug naar een soortgelijke situatie die mij zo’n 20 jaar geleden overkwam.

Wandelend in Quakjeswater bij Hellevoetsluis kwam ik een man en vrouw met kinderwagen tegen waarvan de vrouw heel enthousiast reageerde met hé T hoe is het met jou! Ik had geen idee van wie zij was en dacht misschien dat het mij zo te binnen schiet als wij wat verder praten.  Zij kende mij overduidelijk en refereerde aan gebeurtenissen uit mijn middelbare schooltijd zodat ik er uit afleidde dat ik haar moest kennen van de Havo. Maar er ging nog steeds geen bel rinkelen met wie ik nu van doen had. Het gesprek begon daardoor steeds stroever te lopen, omdat ik haar niet kon plaatsen kon ik ook geen belangstellende vragen terug stellen of echt ingaan op haar vragen. Inmiddels waren er enkele minuten verstreken en lag het moment al ver achter ons waarop ik had kunnen zeggen; sorry ik herken jou niet, help mij eens op weg met wie jij ook al weer bent.  Opeens vroeg ze, zie jij H (een vriend van mij) nog wel eens? Waarop ik dacht waar ken jij die dan in vredesnaam van? Ik gaf een halfslachtig en ontwijkend antwoord omdat de verwarring bij mij alleen maar groter werd. In die sfeer van ongemakkelijkheid liep het gesprek dood, zeiden wij gedag tegen elkaar en ik vervolgde mijn weg.
Ondertussen malend en zoekend in mijn herinnering naar een aanwijzing met wie ik nu de afgelopen minuten had staan praten. Honderd meter verder wist ik het opeens… Mvan der T. Ik had met haar samen in de eerste klas gezeten van de Havo, haar daarna uit het oog verloren omdat zij naar een andere school gegaan was, maar haar een aantal jaren geleden nog gesproken op de bruiloft van H en S. Zij bleek een collega van H te zijn. Ik had haar niet kunnen plaatsen nu ze opeens achter een kinderwagen liep en er een man op het toneel bleek te zijn verschenen.

Zou zich zo’n zelfde voorval afspelen daar op het strand?   Of waren het gewoon ex geliefden die elkaar onverwacht en ongewild troffen. Het tafereel wat wij zagen straalde zo’n soort ongemakkelijkheid uit. Hoe het verder afliep
heb ik helaas niet meer kunnen zien want tegenwoordig heb ik een prostaat ter grootte van een granaatappel dus ik moest snel een strandtent opzoeken om naar de wc te gaan. Na daar nog wat gegeten en gedronken te hebben besloten wij nog even een stukje langs de boulevard te lopen voordat wij weer op huis aangingen. Op de parkeerplaats trof ik de man die wij op het strand gezien hadden. Een beetje overmoedig geworden door de wijntjes die ik net bij het eten gedronken had besloot ik hem aan te schieten en ik vertelde dat ik zijn ontmoeting gezien had op het strand, vertelde mijn associatie bij wat ik gedacht te zien te hebben en vroeg hem of hij wilde vertellen wat zich daarstraks nou werkelijk afgespeeld had.

Het bleek heel iets anders dan ik had gedacht. De man bleek single, het alleen zijn moe en in een opwelling had hij de vrouw, die hij niet kende, aangesproken met de vraag of hij haar baby kon leasen zodat hij goede sier kan maken bij zijn volgende date. Immers menig vrouwenhart klopt sneller bij zo’n vertederend beeld van een man die de zorg lijkt te nemen voor een klein kind. De man toont zijn toekomstig potentieel maar door de leaseconstructie komt hij de moderne vrouw, die gaat voor de lusten boven de lasten, tegemoet. De ideale start voor een moderne relatie.

In eerste instantie had de vrouw weliswaar afstandelijk maar toch welwillend gereageerd op zijn vraag. Daarna was  zij gaan doorvragen om te kijken of ze er achter kon komen wat voor vlees ze in de kuip had. Zo had zij gevraagd hoe hij tegenover kinderen stond en allochtonen. Waarop hij geantwoord had dat hij kinderen leuk vond zolang ze van een ander zijn en dat hij altijd de angst met zich meedroeg dat de kinderen uiteindelijk heel veel op hun ouders zouden gaan lijken. Dat dit idee hem benauwde omdat er tegenwoordig een groeiende trend is van onverdraagzaamheid jegens anderen en een steeds sterkere ik cultuur, dat de ouders dit op hun kinderen zullen overdragen. Over de allochtonen had hij grappend gezegd dat hij die hoofddoekjes wel een verrijking vond van de Nederlandse cultuur omdat het die mooie donkerbruine ogen van die vrouwen zo mooi uit liet komen. Voordat hij er toe kon komen om een serieus antwoord te geven op deze vraag was de vrouw met haar baby, Geert junior, zonder nog een woord te zeggen doorgelopen.

Ontmoeting op het strand

Foto: Sjoerd J de Jong

Hij: Jij met een kinderwagen, je gaat mij toch niet vertellen dat…..

Nee joh gekkie, ik sta vast met de kinderwagen in het zand en ik krijg hem niet verder geduwd. Omdat jij hier vlak achter de duinen woont dacht ik aan jou of jij mij kon komen helpen? Ik heb er echt wel over getwijfeld of ik je een sms zou sturen want het is tenslotte een jaar geleden dat wij elkaar gezien of gesproken hebben. Maar ik wist echt niemand anders die mij nu zou kunnen helpen, dus vandaar.

Hij: Pfffff, Van wie is dat kind dan? Je begrijpt toch wel dat mijn hart een paar slagen oversloeg toen ik jou zo langs de waterlijn zag staan met een kinderwagen en jij mij een sms stuurt dat jij mij heel dringend nu onmiddellijk wilt zien. Ik heb er een paar grijze haren bij gekregen. Wat is er dan precies aan de hand? Ben je ondertussen moeder geworden?

Nee joh, kijk eens goed in de kinderwagen. Er zit helemaal geen kind in. Het idee alleen al, ik moeder, daar slik ik een pilletje voor zodat dat nog even gaat duren. Nee er liggen een paar aardappelzakken in, de kinderwagen heb ik geleend van Carla, je weet wel mijn vriendin. Ik werd vanochtend wakker en dacht die cursus communicatiewetenschappen die ik volg bij de LOI is wel leuk maar eigenlijk zou ik graag iets doen waar ik wandelen en contact met mensen kan combineren. Toen zag ik in de krant dat de strandvierdaagse binnenkort weer van start gaat. Ik dacht zou het niet leuk zijn als ik met ze opwandel en ze onderweg van eten en drinken zou voorzien. Een opstapje naar mijn eigen bedrijf. Dus heb ik die kinderwagen van Carla geleend en om te oefenen er een paar zakken aardappels ingelegd, om te simuleren dat de wagen vol zit met eten en drinken die ik onderweg dan ga verkopen. Maar ja nu sta ik vast en ben ik bekaf. Daarom heb ik jouw hulp ingeroepen want ik kom zo niet meer verder en het water komt op. Straks verdwijnt de kinderwagen onder water en wordt Carla hartstikke boos op mij als dat zou gebeuren, met die tweede op komst binnenkort.

Hij: Nog altijd even impulsief hè. Hoever ben je gekomen? 500 meter? Laten wij maar snel die aardappelen uit de kinderwagen halen om die kinderwagen lichter te maken. Hoeveel zakken liggen er wel niet in? Je had weer eens grote plannen. Pak van mijn hart dat het niet is wat ik dacht. Eigenlijk wel fijn je weer te zien. Kom ik zal je eerst een zoen geven.