Beste reiziger

Wanneer ik de hond uitlaat voor zijn laatste rondje van de dag en ik in de buurt kom van het treinstation in ons dorp schalt er zo af en toe uit de luidsprekers “Beste reiziger”. Dit blijkt meestal het begin van een aankondiging waarin de reiziger meegedeeld wordt dat er juist van reizen vanaf dit station geen sprake is op dat moment.

Dit komt nogal ironisch op mij over omdat ik mij meen te herinneren dat de NS lang nagedacht heeft over het gebruik van het woord “Reiziger”, dit moest gebruikt worden om het publiek dat gebruik maakt van het spoor zo genderneutraal mogelijk aan te spreken. Niet langer dames en heren om zo niemand voor het hoofd te stoten. Althans, dat was blijkbaar het idee. Om vervolgens de gebruikers van het spoor te schofferen door ze aan te spreken als reiziger en ze vervolgens gelijk duidelijk te maken dat er niet gereisd kan worden. Ik zou mijzelf goed in mijn hemd gezet voelen.

Nee dank u, daar zijn wij al lid van

Mijn muzikale smaak en onze hond vormen niet altijd de ideale combinatie. Hij gaat dan ook in een pose voor mij zitten waarbij hij aangeeft dat het nu wel lang genoeg geduurd heeft, het op zijn darmen slaat, hij wil uitgelaten worden.

Op dat moment gaat de telefoon en ik zie dat het een onbekend lokaal nummer is. Ik krijg een vrouw aan de telefoon die zegt: ‘U kent mij niet want ik dacht laat ik eens een willekeurig nummer bellen en kijken of ik iemand kan vinden om een positief gesprek mee te hebben.’ Mijn eerste gedachte is, dan heb je de goede gekozen, de misantroop en cynicus die ik ben. In plaats daarvan zeg ik ‘Nou dat is een ambitieuze opgave’. Ze moet lachen.

Er ontspint zich een gesprek waarbij ze al vrij snel tot de kern komt, wat vind ik van de Bijbel? Ik heb hem in mijn jeugd gelezen en daarna besloten dat dit niet de weg was die ik wilde bewandelen.’ , ze was tenslotte op zoek naar een positief gesprek. Het blijkt een betere insteek, want we praten door. Zij vertelt mij het verhaal over de belegering van Babylon en hoe dit haar gesterkt heeft in haar geloof in de Bijbel. Ik ga niet peuteren aan haar verhaal maar vertel haar andere verhalen uit wetenschappelijke boeken die ik ooit gelezen heb. Het wordt duidelijk dat wij elkaar niet gaan vinden maar desondanks bedankt ze mij voor het positieve gesprek dat wij samen gevoerd hebben, ik vond het ook niet onplezierig. Mocht ik mij ooit bedenken dan wil ze mij een een website noemen waar ik interessante zaken zou kunnen vinden, jw.org. Mijn hersenen knarsen kort en ik vraag haar of jw staat voor Jaweh? Nee, het blijkt te staan voor Jehovahs Witnesses te staan. Ik heb zojuist een Jehova getuige bezoek gehad in corona tijd.

Nadat ik de hoorn neergelegd heb gaan mijn gedachten terug naar de tijd dat ik een tiener was en nog niet erg ervaren met bezoeken aan de deur. Op een avond werd er aangebeld, ik en mijn ouders hadden de verwachting dat het een collecte zou zijn. Ik zei van laat mij maar gaan, die poeier ik wel af. Aan de deur stond iemand van het Leger des Heils wiens verhaal ik aanhoorde om vervolgens te zeggen ‘Nee dank u, daar zijn wij al lid van’ De man keek mij aan en zei ‘Dat kan helemaal niet’. Ik kromp in elkaar, stamelde nog wat en deed snel de deur dicht. In de tussenliggende jaren heb ik een hoop bijgeleerd. Ik kan nu iemand afpoeieren op een manier waarbij wij er allebei een positief gevoel aan over houden.

Bij de hond lukt mij dit nog niet want hij kijkt mij nu zo droevig aan. We gaan samen ergens een grasperk bevuilen.

Nee dank u, daar zijn wij al lid van

Mijn muzikale smaak en onze hond vormen niet altijd de ideale combinatie. Hij gaat dan ook in een pose voor mij zitten waarbij hij aangeeft dat het nu wel lang genoeg geduurd heeft, het op zijn darmen slaat, hij wil uitgelaten worden.

Op dat moment gaat de telefoon en ik zie dat het een onbekend lokaal nummer is. Ik krijg een vrouw aan de telefoon die zegt: ‘U kent mij niet want ik dacht laat ik eens een willekeurig nummer bellen en kijken of ik iemand kan vinden om een positief gesprek mee te hebben.’ Mijn eerste gedachte is, dan heb je de goede gekozen, de misantroop en cynicus die ik ben. In plaats daarvan zeg ik ‘Nou dat is een ambitieuze opgave’. Ze moet lachen.

Er ontspint zich een gesprek waarbij ze al vrij snel tot de kern komt, wat vind ik van de Bijbel? Door mijn hoofd schiet het antwoord dat ik ooit eens aan de de deur gaf toen ik met een bezoek vereerd werd door de plaatselijke Jehova’s getuigen: ‘Een aardige streekroman.’ De verbijstering trok toen over de gezichten van mijn bezoekers. Nu geef ik een ander antwoord‘. Ik heb hem in mijn jeugd gelezen en daarna besloten dat dit niet de weg was die ik wilde bewandelen.’ , ze was tenslotte op zoek naar een positief gesprek. Het blijkt een betere insteek, want we praten door. Zij vertelt mij het verhaal over de belegering van Babylon en hoe dit haar gesterkt heeft in haar geloof in de Bijbel. Ik ga niet peuteren aan haar verhaal maar vertel haar andere verhalen uit wetenschappelijke boeken die ik ooit gelezen heb. Het wordt duidelijk dat wij elkaar niet gaan vinden maar desondanks bedankt ze mij voor het positieve gesprek dat wij samen gevoerd hebben, ik vond het ook niet onplezierig. Mocht ik mij ooit bedenken dan wil ze mij een een website noemen waar ik interessante zaken zou kunnen vinden, jw.org. Mijn hersenen knarsen kort en ik vraag haar of jw staat voor Jaweh? Nee, het blijkt te staan voor Jehovahs Witnesses te staan. Ik heb zojuist een Jehova getuige bezoek gehad in corona tijd.

Nadat ik de hoorn neergelegd heb gaan mijn gedachten terug naar de tijd dat ik een tiener was en nog niet erg ervaren met bezoeken aan de deur. Op een avond werd er aangebeld, ik en mijn ouders hadden de verwachting dat het een collecte zou zijn. Ik zei van laat mij maar gaan, die poeier ik wel af. Aan de deur stond iemand van het Leger des Heils wiens verhaal ik aanhoorde om vervolgens te zeggen ‘Nee dank u, daar zijn wij al lid van’ De man keek mij aan en zei ‘Dat kan helemaal niet’. Ik kromp in elkaar, stamelde nog wat en deed snel de deur dicht. In de tussenliggende jaren heb ik een hoop bijgeleerd. Ik kan nu iemand afpoeieren op een manier waarbij wij er allebei een positief gevoel aan over houden.

Bij de hond lukt mij dit nog niet want hij kijkt mij nu zo droevig aan. We gaan samen ergens een grasperk bevuilen.

Voorspel

Stelt u zich de volgende situatie voor: Je zit op de bank te wachten op een telefoontje waarbij je zult gaan horen of een afspraak over een uur wel of niet doorgaat.

Bij mij als man zal het gesprek ongeveer als volgt verlopen: “Hoi. Gaat het door? Mooi. Spreek je zo, tot dan.”

Dezelfde situatie deed zich voor bij mijn vriendin. Zij neemt de telefoon op en de belster informeert hoe het met mijn vriendin gaat. Deze beantwoordt de vraag uitgebreid en vervolgens acht de belster het haar beurt om uitgebreid te gaan vertellen hoe het met haarzelf gaat. Na deze inleidende beleefdheden komt de vraag aan de orde of de afspraak wel of niet doorgaat waarna afgesproken wordt om elkaar zo verder nader te spreken.

Na dit gesprek aangehoord te hebben begrijp ik als man wederom waarom vrouwen zo hechten aan een uitgebreid voorspel.

Slecht nieuws gesprek

Ik werd vanochtend wakker met de gedachte; Stel dat ik werkzaam zou zijn als medewerker van de GGD die mensen moet informeren dat ze positief getest zijn op het Coronavirus hoe zou ik dat dan aanpakken? Zou ik dit slecht nieuws gesprek empathisch benaderen of zou ik daar mijn eigen draai aan geven om mensen een hart onder de riem te steken?

Na een aantal uren geworsteld te hebben met mijzelf om na te gaan wat het beste bij mij past, aansluit bij de belevingswereld van veel mensen en past in onze hedendaagse samenleving waarbij men snakt naar positiviteit zal het gesprek dat ik zou voeren zou er ongeveer zo uit gaan zien: “Goedendag. Ik bel u naar aanleiding van de Coronatest die u bij ons uit heeft laten voeren en ik heb goed nieuws voor u. De overheid adviseert ons dringend om zoveel mogelijk thuis te blijven en niet op vakantie te gaan, maar omdat u positief getest bent maakt u kans op een geheel verzorgd arrangement in een van onze topklasse ziekenhuizen met eventueel het vooruitzicht om dit verblijf zelfs in het buitenland door te brengen. Denkt u hierbij bijvoorbeeld aan Münster, bekend om zijn leuke kerstmarkt. Indien u in aanmerking komt voor zo’n arrangement dan bent u ook verzekerd van een aansluitend fitnessprogramma.”

Dit idee ga ik voorleggen aan een psycholoog om te kijken of ik op die manier een bijdrage kan leveren aan het geestelijk welzijn van mensen die getroffen zijn door het virus. Of om te horen of ik zelf wat geestelijke bijstand nodig blijk te hebben.

Het Bankje

Het bankje.

Katja komt binnen, kijkt naar mij en vraagt bezorgd: ‘Wat is er met jou aan de hand?’

 Ik zit aan de eettafel en heb in het afgelopen kwartier de gebeurtenis keer op keer opnieuw beleefd met steeds weer die prangende vraag: Heb ik het goed gezien, heb ik goed gehandeld?

‘Weet je nog waarom wij zo blij waren om in dit dorp te gaan wonen, weg van de stadse dingen?’ Ik begin het verhaal te vertellen.

‘Ben je erg geschrokken?’

‘Dat valt wel mee, het was vooral spannend. Waar ik mee zit is dat ik de man misschien onterecht beschuldigd heb en dat zou ik heel erg vinden. Ik heb het beeld in mijn hoofd van die twee mannen die na de aanslagen op 11 september 2001 hardhandig door de politie uit de trein gehaald werden. Verontruste medereizigers belden toen 112 omdat de mannen baarden hadden en gekleed waren in djellaba’s. Wat zullen zij zich overvallen gevoeld hebben door wat hen overkwam.’

Ze legt haar hand op mijn schouder. ‘Ik begrijp waar je mee worstelt. Zou de man erachter kunnen komen dat jij degene bent die gebeld heeft?’

Het is nog geen vier uur ’s middags als onze hond zich meldt om uitgelaten te worden. Dat is vroeger dan normaal en het laat het zich altijd raden of hij nodig moet of gewoon lekker naar buiten wil. Voor een hond is het ruiken van alle geurtjes buiten net als het lezen van de krant; even op de hoogte gebracht worden van wat er allemaal zoal gebeurd is in de wereld, iets waar ik zelf ook van kan genieten als ik ’s ochtends mijn krant lees. Het is mooi weer, de zonnebril kan op, ik gun hem zijn pleziertje.

Aan het einde van de straat kijkt Lucky mij vragend aan, gaan we linksaf (de langere route) of rechts? Het wordt linksaf. Onze vaste middagroute voert ons langs het Missiehuis van waaruit de paters de wereld in werden gestuurd om hun versie van het geloof te verspreiden. Lucky vindt onderweg volop nieuws dat lezenswaardig lijkt en hij laat op strategische plekken zijn eigen nieuws achter door hier en daar zijn poot op te tillen. Na het passeren van het Missiehuis slaan we rechtsaf zodat onze weg langs de openbare basisschool van het dorp voert.

Juist daar, op die hoek, lijkt zich in de afgelopen uren veel afgespeeld te hebben want Lucky heeft lange tijd nodig om die nieuwsfeiten in zich op te nemen. Ik kijk ondertussen wat om mij heen en zie vanuit mijn ooghoek een man op een bankje zitten tegenover de school. Op het moment dat we weer verder lopen voel ik dat ik op iets stap en gelijktijdig hoor ik een hard metaalachtig geluid. Ik kijk om om te zien waar ik op getrapt heb, het blijkt een takje. Wanneer ik weer voor me kijk zie ik een pistool in de hand van de man.

Onze blikken kruisen elkaar en ik zie hem, terwijl hij naar mij kijkt, snel het wapen naast zijn been leggen, buiten mijn zicht. Ik ben nog ongeveer dertig meter van hem verwijderd. Gedachten vliegen in een hoog tempo door mijn hoofd: Zag ik echt een pistool? Ik heb een donkere zonnebril op, heeft hij wel of niet gezien dat ik hem zag? Het metaalachtige geluid, was dat het geluid van een pistool dat doorgeladen werd of zette hij de veiligheidspal om? Heb ik het echt goed gezien? Ondertussen ben ik al vijf meter doorgelopen in zijn richting. Kan ik nog omkeren zonder hem de indruk te geven dat ik gezien heb wat ik denk gezien te hebben? Loop ik het gevaar verder tegemoet of wend ik mij af?

Naarmate ik dichterbij kom kan ik hem beter zien; een man, eind twintig, kortgeschoren haar en met een vale grijzige huidskleur die  arbeiders uit Oost-Europa zo vaak kenmerkt. Ook zijn kleding past bij dit beeld; een donkerblauw trainingsjack met twee strepen op de mouw met figuurtjes ertussen, zijn broek, lichtblauw, lijkt van hetzelfde merk. Welk merk is dat ook alweer? Is hij afkomstig van de bouwplaats hier vlak achter of zit hij juist met een reden bij deze school? Ruzie met een ex, een onbeantwoorde liefde waar hij mee af wil rekenen? De vragen stapelen zich op en ondertussen zijn de hond en ik nog maar een meter van hem verwijderd.

Op dat moment buigt de man zich naar voren en tracht Lucky te paaien door wat smakgeluidjes te maken en hem aan te halen. Gelukkig, de hond negeert hem, waarna de man zijn blik op mij richt. Snel wend ik mijn blik af, ik heb niet goed kunnen zien of ik een wapen zag, en zeg ‘kom’ tegen Lucky. Wij zetten de pas erin. Juist dan steekt er een vrouw met twee kinderen aan de hand de straat over richting haar auto.

Opeens grijpt de spanning mij bij de keel, ik kan niet langer zien wat de man achter mij doet. Is zij de reden waarom hij hier op deze bank zit? Ik vertraag mijn pas zoveel als mogelijk, om de vrouw de tijd te geven met haar kinderen in de auto te stappen. Lucky besluit op dat moment aan de riem te trekken omdat hij dringend naar zijn volgende geurplek wil. Ik kan nu niet stil blijven staan! Ook de vrouw met de kinderen verdwijnen daarmee uit zicht. Aandachtig luister ik of ik geluiden achter mij hoor die redenen kunnen geven om mij nu om te moeten draaien. Autodeuren slaan dicht en enkele seconden later word ik gepasseerd door de auto. Mijn benen beginnen te trillen;, ik moet nog 100 meter dan kan ik de zijstraat inslaan en ben ik uit het zicht van de man. De vraag ‘Heb ik het echt goed gezien?’ giert door mijn hoofd.

Terwijl we de hoek omgaan werp ik een blik over mijn schouder, ik zie dat de man op het bankje zijn benen omhoogtrekt, als in een gebaar van opluchting dat ook ik uit zijn zicht verdwijn. Ik bel 112 en terwijl ik verder loop vertel ik, met een ietwat onvaste stem, wat ik gezien heb, waar de man zit en waarom ik de situatie als gevaarlijk inschat. Opeens schiet het door mijn hoofd: Kappa, dat is het merk van de kleding die hij aan heeft. De vrouw in de meldkamer noteert snel de gegevens, zegt dat er een wagen onderweg is en vraagt mij of ik in afwachting van de komst van de politie terug naar de hoek wil lopen om vandaar de man in de gaten te houden.

‘Nee, dat wil ik niet. Als hij mij ziet staan zal hij mogelijk onraad ruiken, wat straks extra gevaar voor mij en uw collega’s op kan leveren.’

‘Ik begrijp het. Kunnen mijn collega’s contact met u opnemen voor een getuigenverklaring? Ik heb uw nummer.’

‘Ja, dat is goed.’

Enkele minuten later, ik ben nu hemelsbreed honderd meter verwijderd van het bankje, denk ik te horen dat er in de verte, aan de andere kant van de bouwplaats, iets luid en dwingend geroepen wordt naar iemand, gevolgd door twee korte knallen. Zijn het pistoolschoten? Ik loop door naar huis, we zijn er bijna.

Twee nachten slaap ik slecht. De derde ochtend rijd ik in de auto op de provinciale weg en word ik gebeld door de politie. Zij willen graag nogmaals mijn relaas horen aan de hand van een telefonisch proces-verbaal. Al rijdend, handsfree via de carkit, beantwoord ik de vragen over wat ik gezien heb en de agent bedankt mij voor mijn medewerking.

‘Ik heb nog een vraag: Ik zou het heel erg vinden als ik hem onterecht beschuldigd zou hebben, dus hebben jullie hem aangetroffen en had hij nu wel of niet een pistool bij zich? ‘Ja, wij hebben hem aangehouden, hij zit nu vast op het bureau wegens verboden wapenbezit. Ik wens u nog een fijne dag.’

Ik ben zo opgegaan in het gesprek en het antwoord dat ik zojuist te horen gekregen heb, dat ik pas op het laatste moment zie dat het stoplicht voor mij ondertussen op oranje is gesprongen. Remmen lukt niet meer, dan maar gas geven. Een week later valt er een paars witte enveloppe van het CJIB op de mat met een boete voor zowel te hard rijden als door rood licht rijden.

Het is druilerig weer en ik lijn Lucky aan om zijn rondje te gaan lopen.

‘Vergeet je niet je telefoon mee te nemen?’ roept Katja mij na. ‘Heb ik bij me, tot zo.’ Ik trek de voordeur achter mij dicht. Met mijn schouders hoog opgetrokken vanwege de regen en kou lopen Lucky en ik in een stevig tempo het bekende middagrondje. In de buurt gekomen van het bankje moet ik weer denken aan het voorval enkele maanden daarvoor. Half in gedachten schrik ik op omdat een man, gekleed in trainingspak, plots uit de struiken stapt. De woede straalt van zijn gezicht en terwijl hij met zijn vinger naar mij wijst sist hij: ‘Jij…’

Algoritme

Het woord algoritme is inmiddels een woord geworden dat veel mensen angst inboezemt en dat is begrijpelijk sinds er steeds meer berichten in het nieuws komen over wat Facebook, Google en zelfs onze eigen belastingdienst doen met gegevens die ze over ons en van ons vergaard hebben.


Toch zou het woord niet zo’n zware lading moeten hebben. Immers computers zijn domme dingen die eigenlijk niets kunnen zonder dat wij hun vertellen wat ze moeten doen. De manier om hun duidelijk te maken wat ze moeten doen is door er software op te installeren. Deze kan de computer opdrachten geven en dat wordt gedaan door code te schrijven. De basis voor het schrijven van code zijn algoritmen. Een moeilijk woord voor iets wat eigenlijk een beslismodel is. Een simpel voorbeeld van een stukje code en het bijbehorende algoritme zou kunnen zijn: De programmeur heeft een afbeelding op het scherm gemaakt waar een aantal buttons getoond worden met een stukje tekst erin of eronder. Als de gebruiker nu op het knopje “printen” drukt zal het algoritme constateren dat er op die knop gedrukt wordt en er in dit geval een ander stukje code geactiveerd zal moeten worden dat er voor zorgt dat er iets naar de printer gestuurd wordt en uitgeprint wordt. Druk je op een van de andere knoppen dan zal het algoritme de opdracht uitvoeren die aan die knop gekoppeld is. Het algoritme is dus afhankelijk van de handeling/invoer door de gebruiker, zonder dat kan hij niets en doet hij ook niets.


Tot zover is een algoritme eigenlijk een onschuldig iets, een onderdeel wat essentieel is om goed functionerende software te maken. Het probleem is dat jij als gebruiker niet weet en kan zien wat er achter de schermen verder in de software gebeurt. Als de programmeur bijvoorbeeld in de software ingebouwd heeft dat als jij jouw postcode en jouw nationaliteit in invoervelden invult, hij een check laat doen of jouw postcode in de database een match oplevert met de lijst met verdachte postcodes en dit koppelt aan jouw nationaliteit waardoor jij een potentieel fraudegeval zou kunnen zijn, dan gaan er ethische kwesties een rol spelen. De gevolgen daarvan hebben wij ruimschoots in de media kunnen volgen met de kindertoeslag affaire.


Eenzelfde iets speelt bij de ontwikkeling van zelfrijdende auto’s. Deze auto’s worden vol gehangen met sensoren die afspeuren wat er zich buiten de auto afspeelt. Verkeerssituaties, verkeersborden en obstakels moeten herkend worden en de software zal door middel van algoritmes beslissingen moeten nemen wat er moet gebeuren. Een auto rijdt met 80 km/u op de weg en komt een gebodsbord met 50 erop tegen, het algoritme zal nu de auto vertellen om af te remmen en vervolgens 50 km/u te gaan rijden. Meer ingrijpend is de situatie als er plots een kind de weg op rent, de software bemerkt dat hij de auto niet tijdig tot stilstand kan brengen en dus uit moet wijken. De enige ruimte die de auto daarvoor heeft is de stoep op schieten waar helaas op dat moment een bejaarde loopt met een rollator. Nu moet het algoritme een ethische afweging maken; smoor ik het leven van een jong mens in wording of kies ik voor het aanrijden van de bejaarde? Deze laatste heeft immers al bijna een voltooid leven achter de rug, in deze tijd van Corona zouden sommigen zeggen “dor hout”. In deze huidige tijd zal men waarschijnlijk zeggen maak de keus voor het aanrijden van de bejaarde en niet voor het aanrijden van het kind. Dat klinkt logisch en wellicht ethisch juist. Maar wat nu als de programmeur het volgende gedacht heeft: “als dat kind blijft leven gaat het een veel grotere ecologische voetafdruk maken dan de bejaarde waarschijnlijk nog kan maken in de tijd die hem nog rest en daar houdt de ellende niet op, want het kind gaat zich waarschijnlijk voortplanten en de kinderen die daaruit voortkomen waarschijnlijk ook weer. Ik maak de keus voor het aanrijden van het kind. Jong hout moet je snoeien, anders gaat het woekeren”.


Dat is het probleem bij het instappen in een zelfrijdende auto, de vraag hoe goed is de software van de auto? Zal de software dezelfde keuzes maken die ik zou maken als ik zelf achter het stuur zou zitten? Je weet het niet.

Duurzaamheidschaamte

Het jaar 2019 stond in het teken van het woord “duurzaamheid” en daarmee verbonden met het woord schaamte. Als je vliegt, de auto gebruikt, de kachel hoog zet of geniet van een drankje voor een knapperend haardvuur dan moet je, naast het genot dat deze activiteiten je geven, je ook schamen vanwege de aanslag die je daarmee doet op de (toekomstige) leefbaarheid van onze planeet. Dat is de boodschap die je van alle kanten te horen krijgt.

Laatst stond er een jonge jongen voor mijn deur die mij vroeg of ik duurzaam leefde en of ik er mij bewust van was hoe bedreigend het voor zijn toekomst zou zijn als ik dat niet zou doen. Dat laatste stuitte mij tegen de borst want hij had het over zijn toekomst en niet over onze toekomst. Bij voorbaat leek hij, vanwege mijn leeftijd, er van uit te gaan dat ik medeverantwoordelijk was voor alle bedreigingen die er lijken te liggen voor zijn toekomst. Ik onderdrukte de neiging om zijn leven af te zetten tegen die van mij en geen subtiele vragen te gaan stellen als: ‘wanneer ben jij voor het laatst op vakantie geweest, hoe vaak dit jaar, met het vliegtuig, wil jij later kinderen en weet je hoe milieubelastend die zijn?’ Ik ben van de generatie die de oliecrisis van 1973 bewust meegemaakt heeft en altijd een betrokkenheid getoond heeft bij het welzijn van mijn leefomgeving. Dus bewust omgaan met vervuiling en energie.

De maatschappelijke discussie over duurzaamheid is te complex om te voeren aan een voordeur. Vooral ook omdat ik de indruk heb dat men in de verste verte geen antwoord heeft hoe de klimaat- en duurzaamheidskwestie duurzaam opgelost moet worden. Maatregelen die nu voorgesteld worden lijken weer nieuwe problemen te creëren voor de toekomst . Ik denk nu even aan elektrische auto’s en hoe in de toekomst om te gaan met de afgedankte accu’s. Het woord duurzaamheid wordt in deze context dus nogal misbruikt. Wordt er met duurzaamheid nu bedoeld dat iets lang mee moet gaan (dan is plastic hartstikke duurzaam), weinig impact moet hebben op onze leefomgeving, of dat het zo min mogelijk energieverbruik met zich mee brengt?

Het is een moeilijke materie, maar ik wil op mijn eigen manier toch mijn bijdrage leveren aan dit grote maatschappelijke probleem en daarbij ga ik voor de interpretatie waarbij het begrip duurzaamheid gekoppeld wordt aan de hoeveelheid energie dat iets kost om het tot stand te laten komen en in stand te houden. Vanaf nu probeer ik mijn contacten en vriendschappen zo duurzaam mogelijk in te vullen. Ik steek er voortaan zo min mogelijk energie in, daar wordt de wereld vast stukken beter van.

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

De overheid is de laatste maanden bezig geweest om zich te ontfermen over de bestaanszekerheid van steeds meer groepen in de samenleving. Zo zullen sekswerkers verplicht worden om voortaan een vergunning aan te vragen voordat ze aan de slag mogen en zzp’ers moeten verplicht een arbeidsongeschiktheidsverzekering afsluiten, een ongeluk of ziekte ligt altijd op de loer.

Dit jaar roeren of roerden zich steeds meer groepen omdat ze zich in hun bestaanszekerheden aangetast voelen, politie, ziekenhuismedewerkers, ambulancepersoneel, onderwijzers en boeren, allemaal hebben ze hun weg naar het malieveld gevonden of op een of andere manier actie gevoerd om hun specifieke problematiek onder de aandacht te brengen. Een groep heeft zich nog niet gemeld en daar wil ik een lans voor breken omdat het voor hen toch lastig is om in het openbaar aandacht te vragen voor de bedreigingen waar zij dagelijks aan blootgesteld worden en de financiële onzekerheden die dat met zich mee kan brengen, de crimineel.

Criminelen begeven zich op verschillende werkterreinen maar hebben toch gemeen dat ze een verhoogde kans hebben op lichamelijk letsel. De tasjesdief loopt bij het wegrennen een grote kans lelijk ten val te komen, bij het in brand steken van de vluchtauto of scooter na een liquidatie, plofkraak of winkeloverval kan je lelijke brandwonden oplopen en als je loopt te zwaaien met je wapen is er tegenwoordig een gerede kans dat je neergeschoten wordt zonder dat er eerst vragen gesteld worden omdat ze je aanzien voor een terrorist. Daarnaast is er sprake van nogal wat concurrentiestrijd tussen de criminelen onderling waarbij psychische schade op de loer ligt, maar ook dat je vervolgens, met een knieschijf minder, verder door het leven moet.

Niet alle criminelen zijn financieel even succesvol en hoewel de meesten wel een cokefonds (ook wel bekend als broodfonds bij zzp’ers) achter de hand hebben, is dit niet elke crimineel gegeven. Daarom pleit ik ervoor dat ook de crimineel verplicht een betaalbare arbeidsongeschiktheidsverzekering af moet kunnen sluiten en er in het geval van blijvende invaliditeit een goed sociaal plan beschikbaar is, zodat ze de rol die ze tot dan toe vervulden in onze samenleving naar behoren kunnen blijven uitoefenen opdat ze niet in de vergetelheid zullen verdwijnen, wegkwijnend achter de geraniums of in een baantje waar ze niet uit vrije wil voor hebben gekozen. Criminelen hebben tenslotte moeite om zich in te passen in de slachtofferrol.